Bekendmakingen

Intrekking verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalen

dinsdag 5 juni 2018
Originele publicatie downloaden:
Download het PDF bestand
Type bekendmaking:
Verordeningen



Intrekking verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalen

 

 

 

De raad van de gemeente Hof van Twente;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders;

 

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;

 

overwegende dat het wenselijk is regels te stellen ten aanzien van de kwaliteit

van peuterspeelzalen;

 

besluit:

 

vast te stellen de navolgende verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalen.

 

 

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

 

 

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

a. peuterspeelzaalwerk: het bieden van speelgelegenheid aan kinderen van twee tot

vier jaar gedurende een of meer dagdelen per week van maximaal 3,5 uur waarbij

het doel afhankelijk is van het gekozen ambitieniveau zoals geformuleerd in

artikel 3;

b. peuterspeelzaal: een voorziening waar peuterspeelzaalwerk plaatsvindt;

c. houder: degene die een peuterspeelzaal exploiteert;

d. beroepskracht: degene die in een peuterspeelzaal werkzaamheden verricht die

zijn opgenomen in de voor het peuterspeelzaalwerk geldende CAO en die beschikt

over voor deze werkzaamheden passende beroepskwalificaties;

e. begeleider: degene die anders dan als een beroepskracht is belast met de

begeleiding van kinderen bij een peuterspeelzaal.

 

HOOFDSTUK 2 MELDINGSPLICHT

Artikel 2 Melding in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal

1. Degene die voornemens is een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen binnen de

gemeente doet daarvan melding aan het college.

2. De melding vindt plaats met behulp van een door het college vastgesteld en

beschikbaar gesteld formulier.

 

Artikel 3 Ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerk

De houder geeft in de melding aan het college aan voor welk ambitieniveau van

het peuter-speelzaalwerk hij kiest, waarbij de volgende ambitieniveaus worden

onderscheiden

1. Ambitieniveau 0: “spelen en ontmoeten”;

2. Ambitieniveau 1: “spelen, ontmoeten, ontwikkelen en signaleren”;

3. Ambitieniveau 2: “spelen, ontmoeten, ontwikkelen, signaleren en ondersteunen”.

 

Artikel 4 Termijn van in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal

1. Een peuterspeelzaal wordt niet in exploitatie genomen binnen acht weken na het

tijdstip van de melding.

2. Indien uit het onderzoek van de toezichthouder, bedoeld in artikel 17, eerste

lid, eerder is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in

overeenstemming met de bepalingen in hoofdstuk 3 van deze verordening, kan de

exploitatie vanaf dat moment plaatsvinden.

 

Artikel 5 Verbod op het in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal

Het is verboden een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen indien uit het

onderzoek van de toezichthouder, bedoeld in artikel 17, eerste lid, blijkt dat

niet aan de eisen van de verordening wordt voldaan.

 

Artikel 6 Register

1. Het college houdt een register bij van gemelde peuterspeelzalen. In dit

register worden na een melding onmiddellijk de gegevens opgenomen die

ingevolge artikel 2, tweede lid, en artikel 3 zijn verstrekt.

2. Het college deelt de houder schriftelijk mee dat opneming van de

peuterspeelzaal in het register heeft plaatsgevonden.

3. Het register ligt op het gemeentehuis kosteloos voor een ieder ter inzage.

 

Artikel 7 Wijzigingen van gegevens

1. De houder doet van wijzigingen in de gegevens die bij de melding zijn

verstrekt, onmiddellijk mededeling aan het college.

2. Het college deelt de houder schriftelijk mee dat de wijzigingen in het

register zijn aangetekend.

 

HOOFDSTUK 3 DE KWALITEITSEISEN

Artikel 8 Algemene kwaliteitseisen

1. De houder van een peuterspeelzaal biedt peuterspeelzaalwerk aan dat bijdraagt

aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde

omgeving.

2. De houder organiseert het peuterspeelzaalwerk op zodanige wijze, voorziet de

peuterspeelzaal zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en

materieel, draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling en

voert een zodanig pedagogisch beleid, dat een en ander leidt of moet leiden

tot verantwoord peuterspeelzaalwerk.

 

Artikel 9 Eisen ten aanzien van veiligheid en gezondheid

De houder voert een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid

van de op te vangen kinderen in elk door hem geëxploiteerde peuterspeelzaal

zoveel mogelijk is gewaarborgd. De houder legt, voor zover hierin niet wordt

voorzien bij of krachtens andere wet- en regelgeving, in een

risico-inventarisatie schriftelijk vast welke risico’s de opvang van kinderen

met zich meebrengt.

 

Artikel 9a Voorkoming en verspreiding infectieziekten

1. Het is aan de houder, dan wel aan degen die met de dagelijkse leiding is

belast, verboden:

a. enig persoon tot de peuterspeelzaal of tot enige daarmee in verbinding

staande lokaliteit toe te laten of daarin te vertoeven, wanneer, volgens of

vanwege de directeur van de GGD, daarmee het gevaar van overbrenging van een

infectieziekte, zoals genoemd in de Wet bestrijding infectieziekten en

opsporing ziekteoorzaken, aanwezig is;

b. enig persoon tot de peuterspeelzaal of tot enig daarmee in verbinding

staande lokaliteit toe te laten of daarin zelf te vertoeven, wanneer hij

redelijkerwijs kan vermoeden dat daarmee het gevaar van overbrenging van een

infectieziekte, zoals genoemd in de onder a vermelde wet, aanwezig is.

2. Van het in het eerste lid onder a omschreven verbod is de houder ontheven,

zodra de behandelend geneesheer een schriftelijke verklaring heeft afgegeven

dat de kans op overbrenging van een infectieziekte is uitgesloten.

3. De bepalingen in het eerste en tweede lid laten onverlet de bepalingen

krachtens de in het eerste lid, onder a, genoemde wet.

 

Artikel 10 Oppervlakte speelruimte

1. Voor ieder kind is minimaal 3,5m2 bruto-oppervlakte aan binnenspeelruimte

beschikbaar.

2. Voor ieder kind is buitenspeelruimte beschikbaar, waarvan de bruto-oppervlakte

minimaal 4m2 per kind bedraagt en die voor kinderen bereikbaar is.

Artikel 11 Groepen en groepsgrootte

1. De opvang van kinderen vindt plaats in vaste groepen in passend ingerichte

vaste afzonderlijke ruimtes.

2. In een groep zijn ten hoogste zestien kinderen gelijktijdig aanwezig.

 

Artikel 12 Aantal beroepskrachten of begeleiders per groep

1. Het aantal beroepskrachten of begeleiders per groep is afhankelijk van het

door de houder gekozen ambitieniveau.

2. Indien de houder heeft gekozen voor ambitieniveau 0: “spelen en ontmoeten”zijn

er in elke groep tenminste twee begeleiders aanwezig en is er één

beroepskracht voor ten minste 50% van de openingsuren aanwezig in de

peuterspeelzaal.

3. Indien de houder heeft gekozen voor ambitieniveau 1: “spelen, ontmoeten,

ontwikkelen en signaleren” zijn er in elke groep tenminste één beroepskracht

en één begeleider aanwezig.

4. Indien de houder heeft gekozen voor ambitieniveau 2: “spelen, ontmoeten,

ontwikkelen, signaleren en ondersteunen” zijn er in elke groep ten minste twee

beroepskrachten aanwezig.

 

Artikel 13 Overeenkomst tussen houder en ouder

Opvang in een peuterspeelzaal geschiedt op basis van een schriftelijke

overeenkomst tussen de houder en een ouder.

 

Artikel 14 Informatieplicht aan ouders

De houder van een peuterspeelzaal informeert de ouder voorafgaand aan het

aangaan van deze overeenkomst in ieder geval over:

a. de plaatsingsprocedure en leveringsvoorwaarden;

b. het gekozen ambitieniveau als bedoeld in artikel 3;

c. het te voeren beleid, waaronder het beleid inzake veiligheid en gezondheid,

alsmede het pedagogisch beleid waarin vanuit de visie op de ontwikkeling van

kinderen de visie op de omgang met kinderen is beschreven;

d. de wijze en frequentie van informatie-uitwisseling na plaatsing van het kind

bij de peuterspeelzaal.

 

Artikel 15 Verklaring omtrent het gedrag

1. Personen die als beroepskracht of begeleider werkzaam zijn bij een

peuterspeelzaal, zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag,

afgegeven volgens de Wet Justitiële gegevens.

2. Deze verklaring wordt aan de houder overlegd voordat een persoon zijn

werkzaamheden aanvangt. De verklaring is op het moment dat zij wordt

overgelegd niet ouder dan twee maanden.

3. Indien de houder of de toezichthouder redelijkerwijs vermoedt dat een persoon

niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent

het gedrag, verlangt de houder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent

het gedrag overlegt die niet ouder is dan twee maanden. De desbetreffende

persoon overlegt de verklaring binnen een door de houder vast te stellen

termijn.

 

HOOFDSTUK 4 HET GEMEENTELIJK TOEZICHT

Artikel 16 Aanwijzing van toezichthouders

Het college wijst toezichthouders aan.

 

Artikel 17 Onderzoek door de toezichthouder

1. De toezichthouder onderzoekt na de melding als bedoeld in artikel 2, eerste

lid, binnen acht weken of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in

overeenstemming met de voorschriften in hoofdstuk 3 van deze verordening.

2. Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder jaarlijks of de

exploitatie van elke peuterspeelzaal plaatsvindt in overeenstemming met de

voorschriften in hoofdstuk 3 van deze verordening.

3. Naast het onderzoek bedoeld in het eerste en tweede lid kan de toezichthouder

incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de

voorschriften in hoofdstuk 3 van deze verordening.

 

Artikel 18 Het inspectierapport

1. De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek bij een

peuterspeelzaal vast in een inspectierapport.

2. Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de voorschriften van deze

verordening niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het

rapport.

3. Alvorens het rapport vast te stellen, stelt het college de houder in de

gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze

kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in

een bijlage bij het rapport.

4. De toezichthouder zendt het inspectierapport onverwijld aan de houder, die een

afschrift daarvan zo spoedig mogelijk ter inzage legt op een voor ouders en

personeel toegankelijke plaats.

5. De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na de

vaststelling daarvan openbaar.

 

Artikel 19 Aanwijzing en bevel

1. Het college kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven indien op basis

van het inspectierapport blijkt dat deze de voorschriften in deze verordening

niet of in onvoldoende mate naleeft.

2. In de aanwijzing geeft het college met redenen omkleed aan op welke punten de

voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in

verband daarmee te nemen maatregelen.

3. Indien de toezichthouder oordeelt dat de kwaliteit van de opvang bij een

peuterspeelzaal zodanig tekortschiet dat het nemen van maatregelen

redelijkerwijs een uitstel kan lijden, kan de toezichthouder een schriftelijk

bevel geven. Het bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, die door het

college kan worden verlengd.

4. De houder neemt de maatregelen binnen de bij de aanwijzing onderscheidenlijk

het bevel gestelde termijn.

 

Artikel 20 Strafbepaling

Overtreding van de artikelen 2, eerste lid, en de artikelen in hoofdstuk 3 van

deze verordening wordt gestraft met hechtenis van en hoogste drie maanden of een

geldboete van de tweede categorie.

 

HOOFDSTUK 5 SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 21 Overgangsbepaling

1. Het college neemt in het register de peuterspeelzalen op die op het tijdstip

van inwerkingtreding van deze verordening onder het bestuur van Stichting

Peuterspeelzalen Hof van Twente vallen en per die datum in exploitatie zijn

genomen.

2. Een houder van een peuterspeelzaal als bedoeld in het eerste lid verstrekt

desgevraagd aan het college alle gegevens die nodig zijn voor het register.

3. Beroepskrachten en begeleiders die op het tijdstip van inwerkingtreding van

deze verordening werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal, leggen aan de houder

binnen twee maanden na de vaststelling van deze verordening een verklaring

omtrent het gedrag over.

 

Artikel 22 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag nadien zij bekend is gemaakt en

werkt terug tot 1 januari 2005.

 

Artikel 23 Citeertitel

De verordening wordt aangehaald als: Verordening kwaliteitsregels

peuterspeelzalen Gemeente Hof van Twente.

 

 

 

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

 

De beroepskracht in opleiding (stagiaire) is niet apart gedefinieerd. Hiermee

vallen beroeps-krachten in opleiding automatisch onder de begripsomschrijving

van een begeleider, te weten: ‘degene die anders dan als beroepskracht is belast

met de begeleiding van kinderen bij een peuterspeelzaal’ (onderdeel e).

 

Artikel 2 Melding in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal

Dit artikel regelt de meldingsplicht voor degenen die een peuterspeelzaal willen

gaan exploiteren. De melding moet plaatsvinden met behulp van een door het

college vastgesteld en beschikbaar gesteld formulier. Het stelsel van melding en

registratie maakt aan iedereen duidelijk welke instellingen actief zijn op het

terrein van het peuterspeelzaalwerk. De melding biedt aan de gemeente de

mogelijkheid om voorafgaande aan de start van de exploitatie te toetsen of een

nieuw initiatief aan de kwaliteitseisen voldoet. De gemeente moet een gemelde

peuterspeelzaal opnemen in een register dat voor een ieder toegankelijk is.

Opneming in het register geeft ouders de zekerheid dat het peuterspeelzaalwerk

bij de aanvang van de exploitatie van voldoende kwaliteit is en dat er van

gemeentewege zal worden toegezien dat de kwaliteit van voldoende niveau blijft.

 

Tussen een vergunningenstelsel en een meldingsstelsel zijn een aantal

verschillen. Zo kunnen in een vergunning nadere eisen worden opgenomen die

specifiek gelden voor de instelling die de vergunning krijgt. Bij een

meldingsstelsel kunnen geen specifieke voorschriften worden gesteld, maar moet

worden volstaan met algemene, voor alle instellingen geldende regels. Ook wat

betreft het toepassen van sancties is er een verschil. In een

vergunningenstelsel vormt het intrekken van de vergunning een sanctie. Deze

sanctie is er niet in een meldingsstelsel. Wanneer de gemeente wil dat de

exploitatie van een peuterspeelzaal wordt stopgezet, zal ze er voor moeten

zorgen dat betreffende inrichting wordt gesloten.

 

Artikel 3 Ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerk

Dit artikel bepaalt dat de houder in de melding aan het college aangeeft voor

welk ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerk hij kiest. Het gekozen

ambitieniveau bepaalt de kwalificatie-eisen die aan de leidinggevenden worden

gesteld (zie artikel 12). Het ambitieniveau 0 (‘spelen en ontmoeten’) is het

minimumkwaliteitsniveau. Aan dit kwaliteitsniveau dienen alle peuterspeelzalen

in ieder geval te voldoen. Door de melding en registratie worden de ouders op de

hoogte gesteld van het ambitieniveau. De toezichthouder kan controleren of een

peuterspeelzaal zich houdt aan het gestelde ambitieniveau.

 

Artikel 4 Termijn van in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal

Dit artikel bevat de termijn die de gemeente (i.c. de toezichthouder) nodig

heeft om te beoor-delen of een nieuwe peuterspeelzaal zal voldoen aan de eisen

van de verordening. Elke gemeente zal in overleg met de toezichthouder moeten

bepalen welke termijn haalbaar is. Het moet gaan om een termijn die enerzijds de

toezichthouder de mogelijkheid biedt een deugdelijk onderzoek te doen naar de

wijze waarop de nieuwe peuterspeelzaal zal worden geëxploiteerd en die

anderzijds degene die voornemens is een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen

niet onnodig lang laat wachten op het moment dat met de exploitatie kan worden

gestart. Het tweede lid biedt de mogelijkheid voor de houder om vóór het

verstrijken van de termijn in het eerste lid met de exploitatie van de

peuterspeelzaal te beginnen.

 

Artikel 5 Verbod op het in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal

Dit artikel bevat het expliciete verbod om een peuterspeelzaal in exploitatie te

nemen, indien blijkt dat de initiatiefnemer niet aan de eisen van de verordening

voldoet. Op grond van deze verbodsbepaling kan het college tot bestuursdwang

(sluiting) overgaan of een dwangsom opleggen, indien de peuterspeelzaal toch in

gebruik wordt genomen.

 

Artikel 6 Register

Dit artikel regelt het instellen van het register. Het derde lid bepaalt dat het

register openbaar is.

 

Artikel 7 Wijzigingen van gegevens

Om het register actueel te houden, bepaalt het eerste lid dat de houder

onmiddellijk melding doet aan het college van wijzigingen van gegevens die bij

de melding zijn verstrekt.

 

Artikel 8 Algemene kwaliteitseisen

Het eerste lid bevat een algemene kwaliteitsnorm die ontleend is aan artikel 48

Wk. Het gaat om een globale norm waaraan de houders zelf, met inachtneming van

de verordening, invulling moeten geven. In deze bepaling wordt vastgelegd dat

het welbevinden van de kinderen richtsnoer moet zijn het uitvoeren van het

peuterspeelzaalwerk. Het tweede lid is ontleend aan artikel 50, eerste lid, Wk.

Deze bepaling geeft aan dat verantwoord peuterspeelzaalwerk mede het product is

van de wijze waarop de houder het peuterspeelzaalwerk organiseert en vormgeeft.

De wijze waarop de houder het peuterspeel-zaalwerk organiseert en aan welke

aspecten daarbij aandacht moet worden besteed, wordt naast de eigen

verantwoordelijkheid mede bepaald door de voorschriften in deze verordening.

 

Artikel 9 Eisen ten aanzien van veiligheid en gezondheid

Dit artikel is gelijk aan artikel 51 Wk. De houders van peuterspeelzalen moeten

een risico-inventarisatie uitvoeren ten aanzien van de domeinen veiligheid en

gezondheid. De risico-inventarisatie heeft tot doel het in kaart brengen van

veiligheid- en gezondheidsrisico’s die kinderen in peuterspeelzalen lopen.

Daarbij wordt uitgegaan van het gedrag van kinderen. De risico-inventarisatie

dient als basis om de omstandigheden voor kinderen te verbeteren en om te

stimuleren dat personeel en de kinderen adequaat met risico’s omgaan. Deze

risico-inventarisatie vervangt niet de risico-inventarisaties die op grond van

andere wetgeving verplicht is (artikel 5 Arbeidsomstandighedenwet en artikel 7

Infectieziektewet). Ook vervangt een risico-inventarisatie niet de

veiligheidsnormen waaraan de peuterspeelzalen op grond van andere wetgeving zijn

gebonden, zoals de brandveiligheidseisen in het Bouwbesluit en de

bouwverordening. Ook laat de risico-inventarisatie toepassing van de Wcpv

onverlet.

 

Artikel 9a Voorkoming en verspreiding infectieziekten

In dit artikel is expliciet aangegeven hoe de houder moet handelen ingeval

gevaar dreigt van overbrenging van een infectieziekte.

 

Artikel 10 Oppervlakte speelruimte

Gekozen is voor minimum bruto-oppervlaktematen (in plaats van

netto-oppervlaktematen) omdat deze eenvoudiger door de toezichthouder zijn vast

te stellen.

 

Artikel 11 Groepen en groepsgrootte

Het tweede lid bepaalt dat de maximum groepsgrootte zestien kinderen bedraagt.

Dit maximum geldt voor alle drie ambitieniveaus.

 

Artikel 12 Aantal beroepskrachten of begeleiders per groep

Het gekozen ambitieniveau bepaalt het aantal beroepskrachten of begeleiders dat

in elke groep aanwezig moet zijn.

 

Artikel 13 Overeenkomst tussen houder en ouder

Voor houders van peuterspeelzalen en ouders is het van belang om in een

overeenkomst te expliciteren wat wederzijds de rechten en verplichtingen zijn.

Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat het peuterspeelzaalwerk plaatsvindt

op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

 

Artikel 14 Informatieplicht aan de ouders

De houders van peuterspeelzalen zijn verplicht ouders voor dat ze een contract

tekenen te informeren over een aantal essentiële onderwerpen. Deze informatie

biedt ouders de mogelijkheid om zich een oordeel te vormen over de kwaliteit van

een peuterspeelzaal en eventueel op basis van een onderlinge vergelijking een

keuze voor een bepaalde peuterspeelzaal te maken.

 

Artikel 15 Verklaring omtrent het gedrag

Dit artikel draagt de houder van een peuterspeelzaal op er voor te zorgen dat

alle beroepskrachten en begeleiders die bij een peuterspeelzaal werkzaam zijn,

op hun gedrag zijn getoetst. Dit gebeurt in de vorm van een recente verklaring

omtrent het gedrag die aan de houder moet worden overlegd voordat een persoon

zijn werkzaamheden aanvangt. Omdat een verklaring omtrent het gedrag niet meer

dan een momentopname is, voorziet het derde lid in de eis dat een nieuwe

verklaring omtrent het gedrag aan de houder wordt overlegd, in het geval de

houder of toezichthouder redelijkerwijs het vermoeden heeft, bijvoorbeeld naar

aanleiding van klachten of tips, dat een persoon niet langer voldoet aan de

eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag.

 

Artikel 16 Aanwijzing van toezichthouders

Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om toezichthouders aan te wijzen.

Afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat een algemene regeling

van de bevoegdheden van toezichthouders, zoals het recht op het betreden van

plaatsen, op het vorderen van inlichtingen en het inzien van schriftelijke

stukken.

 

Artikel 17 Onderzoek door de toezichthouder

In dit artikel worden drie soorten van onderzoek door de toezichthouders

onderscheiden:

- het eerste lid: het onderzoek naar aanleiding van een melding van het

voornemen een peuterspeelzaal te gaan exploiteren;

- het tweede lid: het reguliere onderzoek bij bestaande peuterspeelzalen in de

gemeente;

- het derde lid: het incidentele onderzoek bij een peuterspeelzaal, bijvoorbeeld

naar aanleiding van klachten of tips.

Wat betreft de termijn in het eerste lid wordt verwezen naar de opmerking bij

artikel 4. Het tweede lid bevat de opdracht aan het college om ervoor zorg te

dragen dat tenminste één keer per jaar een controle wordt uitgevoerd.

 

Artikel 18 Het inspectierapport

De resultaten van een onderzoek worden door de toezichthouder vastgelegd in een

inspectierapport. Het inspectierapport vormt de basis voor het handhavend

optreden door het college (zie artikel 19, eerste lid). Deze werkwijze is

identiek aan de manier waarop handhaving op grond van de Wk gaat plaatsvinden.

 

Het derde lid bepaalt dat het college (en niet de toezichthouder) de houder in

de gelegenheid stelt van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn

zienswijze kenbaar te maken. Het bieden van gelegenheid om een zienswijze

kenbaar te maken is op te vatten als het uitoefenen van een publiekrechtelijke

bevoegdheid. Op grond van de Awb (artikel 10:14) is delegatie van bevoegdheden

aan ambtenaren niet toegestaan. Het is wel mogelijk dat deze bevoegdheid in

mandaat wordt overgedragen. In dat geval handelt de toezichthouder namens het

college. De overige taken die in dit artikel worden genoemd zijn van feitelijke

aard. Deze kunnen wel aan een toezichthoudend ambtenaar worden overgedragen.

 

Artikel 19 Aanwijzing en bevel

Indien de houder de aanwijzing of het bevel niet opvolgt, kan het college

overgaan tot het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een dwangsom.

Het gaat om algemene bevoegdheden van het college die zijn neergelegd in de

Gemeentewet en de Awb. Deze worden dan ook niet nader in de verordening

geregeld.

Bestuursdwang houdt een waarschuwing in dat wanneer niet binnen een bepaalde

termijn maatregelen worden getroffen, het college deze op kosten van de houder

kan laten uitvoeren. Is bestuursdwang niet goed mogelijk, dan kan een dwangsom

worden opgelegd. Zijn er zoveel tekortkomingen, dan kan het college in de

aanwijzing of bevel gelasten de exploitatie van de peuterspeelzaal te staken.

Geeft de exploitant daaraan geen gehoor, dan gaat het college hiertoe over. Ook

dit is een vorm van bestuursdwang.

 

Artikel 20 Strafbepaling

Deze bepaling spreekt voor zich.

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Hof van

Twente d.d. 26 april 2005.

De raad van de gemeente Hof van Twente,

de griffier, de voorzitter,

A.W. Averink, Drs. A.Th.B. Bijleveld-Schouten

Toelichting

 

Algemene toelichting

Gemeenten zijn niet verplicht kwaliteitsregels te stellen voor het

peuterspeelzaalwerk. Het peuterspeelzaalwerk valt niet onder de Wet kinderopvang

(artikel 1, tweede lid, onderdeel b). Dit betekent dat de grondslag voor deze

verordening de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeenten vormt die is

neergelegd in artikel 149 van de Gemeentewet. Dit is ook in de aanhef van de

modelverordening aangegeven.

De modelverordening sluit zoveel mogelijk aan bij de Wet Collectieve Preventie

Volksgezond-heid (WCPV) en de kwaliteitseisen die de Wet kinderopvang (Wk) stelt

ten aanzien van kinder-opvang. Voor dit laatste zijn twee redenen: allereerst is

het peuterspeelzaalwerk ook een vorm van kinderopvang in een daarvoor geschikte

ruimtelijke voorziening. Het ligt dan voor de hand om zoveel mogelijk dezelfde

kwaliteitseisen te stellen, uiteraard voorzover die eisen aansluiten bij het

specifieke doel van het peuterspeelzaalwerk. Dit hangt samen met de tweede

reden: het toezicht op de instellingen voor kinderopvang en op peuterspeelzalen

zal door dezelfde toe-zichthouders worden gedaan. Het uitoefenen van toezicht

wordt vergemakkelijkt als de toe-zichthouders zoveel mogelijk met dezelfde

regels te maken hebben. Evenals in de Wk is in de modelverordening gekozen voor

algemene kwaliteitsregels die voor alle peuterspeelzalen in de gemeente gelden,

gekoppeld aan een stelsel van melding en registratie.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

HOOFDSTUK 5 SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN

Deze bepalingen spreken voor zich.

Geef uw reactie over deze pagina

https://www.hofvantwente.nl/actueel/actuele-bekendmakingen/bekendmaking.html?tx_windgvop_windgvop[publication]=177&cHash=1d6afef5fdbb8c9b29c8c7db315c9073