Bekendmakingen

Re-integratieverordening Hof van Twente 2018

vrijdag 12 oktober 2018
Originele publicatie downloaden:
Download het PDF bestand
Type bekendmaking:
Verordeningen



Re-integratieverordening Hof van Twente 2018

De raad van de gemeente Hof van Twente;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders;

 

gelet op de artikelen 6 tweede lid, 7 eerste lid, aanhef en onder a, 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en tweede lid, 10 a, zesde lid en 10b, vierde lid, van de Participatiewet;

 

besluit:

 

1. de re-integratieverordening Participatiewet gemeente Hof van Twente 2015 per 1 januari 2018 in te trekken

2. de verordening loonkostensubsidie Participatiewet 2015 Hof van Twente per 1 januari 2018 in te trekken

3. vast te stellen de navolgende RE-INTEGRATIE-VERORDENING PARTICIPATIEWET 2018 en in werking te laten treden op 1 januari 2018

 

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

a. de wet: De Participatiewet;

b. doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet;

c. grote afstand tot de arbeidsmarkt: ingedeeld op trede 1, 2, 3 of onderkant 4 van de participatieladder. Deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar;

d. korte afstand tot de arbeidsmarkt: ingedeeld op trede 6,5 en bovenkant 4 van de participatieladder. Deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar.

HOOFDSTUK 2 BELEID EN FINANCIËN

Artikel 2. Evenwichtige verdeling en financiering

1. Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en voor zover het college dat noodzakelijk acht een voorziening gericht op gericht op arbeidsinschakeling aanbieden.

2. Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen, biedt het college maatwerk. Daarbij maakt het college de afweging of de voorziening, gelet op de mogelijkheden, capaciteiten en wensen van de belanghebbende, het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in arbeid. Het vastgestelde re-integratietraject wordt vastgelegd in een plan van aanpak.

3. Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:

a. de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en

b. de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.

4. Het college rapporteert jaarlijks aan de gemeenteraad de doeltreffendheid van het beleid.

 

Artikel 3 Budget en subsidieplafonds

1. Het college kan een of meer subsidie- of budget-plafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen.

2. Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening

 

HOOFDSTUK 3 VOORZIENINGEN

Artikel 4 Algemene bepalingen over voorzieningen

1. Het college stelt nadere beleidsregels vast welke voorzieningen, waaronder ondersteunende voorzieningen, het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden; hierin wordt tevens opgenomen wanneer een voorziening door het college beëindigd kan worden.

2. Het college stelt nadere regels vast voor de uitwerking van het arbeidsmarktinstrumentarium, over

a. de voorwaarden waaronder een voorziening wordt aangeboden;

b. de aanvraag van en de besluitvorming over voorzieningen, subsidies en premies;

c. nadere criteria voor het vaststellen van de doelgroep loonkostensubsidie en de doelgroep beschut werken;

d. de noodzakelijkheid van scholing, de duur daarvan en de maximaal te vergoeden kosten

e. het opleggen van een eigen bijdrage voor mensen zonder een gemeentelijke uitkering

3. Het college stelt bij beleidsregel vast onder welke voorwaarden een voorziening kan worden beëindigd.

.

Artikel 5 Proefplaatsing

1. Het college kan een persoon, die behoort tot de doelgroep een proefplaats gericht op arbeidsinschakeling aanbieden voor zover dit gezien zijn afstand tot de arbeidsmarkt passend is.

2. Het doel van een proefplaats is het beoordelen of een persoon voldoende competenties heeft voor een beoogde arbeidsplaats.

3. De duur van de proefplaatsing is maximaal 3 maanden.

4. Er wordt een schriftelijke overeenkomst opgesteld met de beoogde werkgever en de persoon die op de proefplaats wordt geplaatst. In de overeenkomst worden de invulling van de proefplaats en de wijze van begeleiding vastgelegd.

5. Het college vergewist zich ervan voor de plaatsing dat de aansprakelijkheids- en de ongevallenrisico’s ten behoeve van de persoon zijn afgedekt.

 

Artikel 6 Werkervaringsplaats

1. Het college kan een persoon een werkervaringsplaats gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze:

a. behoort tot de doelgroep, en

b. een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid;

2. Het doel van een werkervaringsplaats is het opdoen van werkervaring en/of het leren functioneren in een arbeidsrelatie;

3. De duur van de werkervaringsplaats is maximaal 3 maanden en kan éénmalig met maximaal 3 maanden bij dezelfde werkgever worden verlengd.

4. Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt;

5. Met de werkgever die de werkervaringsplaats aanbiedt en de persoon die de werkervaringsplaats gaat invullen wordt een schriftelijke overeenkomst opgesteld. In de overeenkomst worden in ieder geval vastgelegd:

a. doel(en) van de werkervaringsplaats,

b. duur van de werkervaringsplaats;

c. wijze waarop begeleiding plaatsvindt.

 

 

Artikel 7 Detacheringsbaan

1. Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling;

2. De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie;

3. Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

 

Artikel 8 Scholing

1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep scholing aanbieden.

2. Scholing voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:

a. De persoon moet de mogelijkheden en capaciteiten hebben om de scholing binnen de gestelde termijn met goed gevolg te kunnen afronden, en

b. De scholing vergroot de kansen op de arbeidsmarkt.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7, lid 3, sub a van de wet.

 

Artikel 9 Loonkostensubsidie

1. Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie.

2. Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:

a. een persoon behoort tot de doelgroep conform artikel 7, lid 1, sub a of de doelgroep zoals beschreven in artikel 10d, lid 2 van de wet;

b. die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen, dan wel daaraan gerelateerd met deeltijdarbeid het minimum uurloon te verdienen, en

c. die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.

3. Het college laat zich bij de vaststelling of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort adviseren door een externe deskundige. Deze adviseur neemt daarbij de in het tweede lid neergelegde criteria in acht.

4. Het college verstrekt de subsidie alleen als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt

5. Het college stelt de loonwaarde van een persoon vast aan de hand van het Koninklijk Besluit Loonkostensubsidie Participatiewet d.d. 6 oktober 2014 en de daarop gebaseerde Regeling Loonkostensubsidie Participatiewet d.d. 10 oktober 2014.

 

6. Een deskundige adviseert het college op basis van een gevalideerde methode over de vaststelling van de loonwaarde van een persoon. De deskundige neemt daarbij de in het vijfde lid bedoelde voorschriften in acht.

7. Het college kan in overleg met de werkgever vaststellen dat de vaststelling van de loonwaarde van een persoon gedurende maximaal de eerste zes maanden van de dienstbetrekking achterwege kan blijven (artikel 10d, lid 1, sub b van de wet en artikel 10d, lid 5 van de wet) en in deze periode een forfaitaire loonkostensubsidie verstrekken.

 

Artikel 10 No-riskpolis

1. Het college attendeert werkgevers bij de plaatsing van personen met een arbeidsbeperking, die zijn opgenomen in het doelgroepenregister Banenafspraak of een indicatie beschut werk hebben op de mogelijkheden om in geval van ziekte van de werknemer gebruik te maken van de no riskpolis van het UWV.

2. Indien na plaatsing van een persoon bij een werkgever blijkt dat sprake is van verminderde loonwaarde, informeert het college hierover het UWV, zodat de persoon wordt opgenomen in het doelgroepregister en de werkgever gebruik kan maken van de no-riskpolis van het UWV.

 

Artikel 11 Jobcoaching

1. Aan een persoon die ingevolge artikel 6, eerste lid onder e van de Wet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of een persoon met een structurele functionele beperking kan het college persoonlijke ondersteuning (jobcoaching) aanbieden. Het gaat dan om ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken in de vorm van begeleiding op de werkplek indien hij zonder deze persoonlijke ondersteuning in redelijkheid niet in staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten.

2. Het college stelt ten aanzien van de jobcoaching nadere regels vast met betrekking tot onder meer duur en omvang van de ondersteuning.

 

Artikel 12 Werkplekaanpassing

1. Het college kan voor een werknemer met een structurele functionele lichamelijke arbeidsbeperking bij een werkgever een werkplekaanpassing realiseren dan wel de kosten van de aanpassing aan de werkgever vergoeden als de kosten in verhouding staan tot de duur en omvang van de arbeidsovereenkomst;

 

2. Een aanpassing of een vergoeding hiervoor als bedoeld in het eerste lid wordt niet gerealiseerd voor zover de werkgever een vergoeding kan aanvragen bij een andere instantie of van de werkgever redelijkerwijs verwacht kan worden dat hij de werkplekaanpassing zelf financiert of de afschrijvingstermijn van een eerder verstrekte identieke werkplekaanpassing nog niet is verstreken.

 

Artikel 13 Ondersteuning bij leer-werktraject

Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft:

a. van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of

b. van achttien tot zevenentwintig jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.

 

Artikel 14 Maatschappelijke participatie (sociale activering)

1. Het college kan een persoon met een lange afstand tot de arbeidsmarkt die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van maatschappelijke participatie;

2. Het college stemt de duur en omvang van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon.

 

Artikel 15 Participatieplaats

1. Het college kan een persoon met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten;

2. Het college vult deze mogelijkheid in, volgens de in artikel 5 genoemde maatschappelijke participatie.

 

Artikel 16 Participatievoorziening beschut werk

1. Het college biedt ambtshalve of op verzoek de participatievoorziening beschut werk aan, aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat hij/zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, en deze persoon behoort tot de doelgroep zoals omschreven in art. 7 lid 1 sub a of artikel 10-b sub 1 van de wet;

 

2. Het college gaat voor de realisatie en invulling van beschut werk uit van de door de rijksoverheid vastgestelde minimum taakstelling, tenzij de raad een besluit neemt tot beschikbaarstelling van (en hoeveel) additionele plekken voor beschut werk. In verband hiermee informeert het college de raad over de stand van zaken met betrekking tot beschut werk in de jaarlijkse rapportage als bedoeld in artikel 2 lid 4.

3. Het college draagt zorg voor het beheer van de wachtlijst van de door het UWV geïndiceerde ingezetenen die geen beschutte dienstbetrekking hebben en beschikbaar zijn om een dergelijke dienstbetrekking te aanvaarden, en stelt hiervoor nadere uitvoeringsregels vast.

4. Het college kan uit de personen uit de doelgroep een voorselectie maken en wint bij het UWV advies in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Het college selecteert voor deze beoordeling uitsluitend personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt;

5. Om de in artikel 10b, eerste lid, van de wet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken worden de volgende ondersteunende voorzieningen op de arbeidsinschakeling aangeboden:

a. fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving,

b. uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.

6. Voor zover nodig worden de volgende voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aangeboden tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt:

a. deelname aan vrijwilligerswerk,

b. (arbeidsmatige) dagbesteding in de zin van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning,

c. Scholing als bedoeld in artikel 7,

d. Maatschappelijke participatie als bedoeld in artikel 12

e. of andere voorzieningen die bijdragen aan het participeren in de samenleving.

 

Artikel 17 Werkpremie

1. Het college kan aan de uitkeringsgerechtigde, die in het kader van een re-integratietraject of een traject gericht op maatschappelijke participatie, onbetaalde arbeid verricht een premie toekennen.

2. Het college stelt nadere regels over de hoogte alsmede de voorwaarden waaronder de premie zoals bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt.

 

Artikel 18 Uitstroompremie

1. Het college kan eenmalig een uitstroompremie toekennen aan een langdurig werkloze die ten minste 6 maanden uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid en daardoor niet langer recht heeft op een uitkering.

2. Een langdurig werkloze in de zin van het eerste lid is een persoon uit de doelgroep die gedurende een aaneengesloten periode van 12 maanden of langer op een uitkering aangewezen is of is geweest.

3. Het college stelt nadere regels over de hoogte alsmede de voorwaarden waaronder de premie zoals bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt.

 

HOOFDSTUK 4 SLOTBEPALINGEN

Artikel 19 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

 

Artikel 20 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening Participatiewet 2018.

 

Artikel 21 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2018 onder gelijktijdige intrekking van de Re-integratie-verordening Wet werk en bijstand 2015.

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Hof van Twente d.d.

23 januari 2018.

De raad van Hof van Twente,

de griffier, de voorzitter,

mr. A. Venema drs. H.A.M. Nauta-van Moorsel MPM

Geef uw reactie over deze pagina

https://www.hofvantwente.nl/actueel/actuele-bekendmakingen/bekendmaking.html?tx_windgvop_windgvop[publication]=90&cHash=5c5f35b2c06dad8ffa569133655bb0e2